Grote verschillen in monitoring van psychofarmacagebruik

De monitoring van psychofarmacagebruik verschilt per verpleeghuis. Volgens ziekenhuisapotheker Hans Mulder is er behoefte aan eenduidige afspraken over wat er gemonitord moet worden, door wie, wanneer en hoe vaak.

Mulder is, naast ziekenhuisapotheker in het Wilhelmina Ziekenhuis in Assen, hoofdonderzoeker van het UNO-UMCG-onderzoek Monitoring Psychofarmacagebruik in Verpleeghuizen. Onder zijn aanvoering inventariseerde het onderzoeksteam bij UNO-UMCG-partners Interzorg, Zorggroep Groningen en Icare hoe het gebruik van psychofarmaca wordt gemonitord in de dagelijkse praktijk. 

Waarom is monitoring belangrijk?
Mulder: “Bij het voorschrijven van psychofarmaca is medicatieveiligheid cruciaal. Zeker bij kwetsbare ouderen die in het verpleeghuis wonen, omdat zij vaak gevoelig zijn voor bijwerkingen en geneesmiddeleninteracties. Met structurele monitoring kunnen we klachten en risico’s vroeg signaleren en bijwerkingen opsporen en behandelen. Of liever nog: voorkomen.”

Wat is jullie opgevallen bij de inventarisatie?
“Om goed te kunnen monitoren, zou je bij elke cliënt een nulmeting moeten doen. Een korte screening bij opname in het verpleeghuis. In de praktijk gebeurt dat lang niet altijd. Misschien komt dat doordat een opnamescreening nog geen automatisme is; íemand moet eraan denken en als niemand er aan denkt, gebeurt het niet.”

Wat valt verder op?
“Er zijn grote verschillen tussen verpleeghuizen. Zo vragen specialisten ouderengeneeskunde bij het bepalen van metingen in het bloed verschillende panels aan. De een vraagt bijvoorbeeld wel naar een leverfunctiestoornis, de ander niet. Ook het analyseren van een bloedbeeld wordt heel verschillend aangevraagd.
Daarnaast zien we dat er voor specifieke middelen  niet volgens de richtlijnen wordt gemonitord. Zo stelt de richtlijn probleemgedrag dat je een meetschaal hoort af te nemen voordat je een antidepressivum voorschrijft, maar in de praktijk gebeurt dat niet. Ook het wekelijks of maandelijks meten van een bloedbeeld bij gebruikers van clozapine wordt vaak niet gedaan.”

Wat zouden verpleeghuizen in uw optiek moeten meten?
“Misschien denken artsen: ‘Die Hans is een apotheker en apothekers willen altijd van alles weten.’ Maar dat is niet wat ik wil, zeker niet bij deze doelgroep. Bij verpleeghuisbewoners is mijn adagium ‘Niet meten, tenzij..’.

De meeste verpleeghuisbewoners ga je niet meer behandelen voor afwijkende vetten met statines. Dus dan hoef je ook niet voortdurend te meten of iemand metabool ontregeld is. Ook al schrijft de richtlijn dat wel voor, bij bijvoorbeeld het gebruik van antipsychotica. Ook kun je betwijfelen of het zinvol is om wekelijks een bloedbeeld te meten bij mensen die clozapine gebruiken in een omgeving waar zij heel goed in de gaten worden gehouden. Vermoedelijk ziet de verzorging veel eerder dat iemand ziek wordt. Het is dan natuurlijk wel cruciaal dat medewerkers weten waar ze op moeten letten. 

Het gaat erom dat we tot een gedragen monitoringbeleid komen. Van belang is om samen te bepalen: wat willen we nou precies weten? En daar dan uniforme, eenduidige afspraken over te maken. In ieder geval binnen UNO-UMCG-verband, liefst landelijk.”

Hoe hopen jullie een gedragen monitoringbeleid voor elkaar te krijgen?
“Door er veel over te praten. Zo hebben we de voorlopige bevindingen van ons onderzoek onlangs in het verpleeghuisoverleg gepresenteerd. Dat is een farmacotherapeutisch overleg dat we eens in de zes weken houden met specialisten ouderengeneeskunde. En we kijken hoe het uitvoeren van de metingen gefaciliteerd en geborgd kan worden. Bijvoorbeeld door in het cliëntsysteem signalen in te bouwen die aangeven dat de metingen nog niet zijn uitgevoerd. En door ervoor te zorgen dat niet per se de arts zelf, maar ook iemand anders de metingen kan uitvoeren. Kortom: werk aan de winkel!”